Regressietherapeut Rob van Aert

Onderzoek reïncarnatietherapie bij fobici

Hans Cladder

Cladder (1983) verrichtte onderzoek naar het nut van reïncarnatietherapie bij de behandeling van fobici die eerder vergeefs werden behandeld met meer gebruikelijke vormen van psychotherapie.
De vraag was welk deel van deze kennelijk moeilijk behandelbare fobici de oorzaak van hun problemen in een eerder leven zal situeren in plaats van in hun huidige leven, en voor welk deel van hen die in een eerder leven komen, dat eerdere leven ook echt essentieel blijkt in de therapie. Verder vroeg Cladder zich af voor welk deel van hen regressies en flooding met die beelden voldoende was en welk deel toch ook nog behoefte had aan werk in het hier-en-nu. Als cliënten werden een dertigtal fobici aangenomen, de ene helft via de Fobieclub Nederland (thans Angst Dwang en Fobie Stichting) en de andere helft via artikelen in de populaire pers over reïncarnatietherapie.

Als therapeuten fungeerden 15 doctoraal studenten klinische- of ontwikkelingspsychologie die een basiscursus gedragstherapie en een basiscursus hypnotherapie hadden gevolgd en zich verder verdiept hadden in de reïncarnatietherapie door het lezen van Dethlefsen, Netherton, Fiore en Sutphen en door het bekijken en beluisteren van audio- en videobanden van reïncarnatiesessies.
Cladder zelf trad op als 16e therapeut en supervisor. De cliënten werd na een intakegesprek een gratis behandeling aangeboden door een van de studenten met gedragstherapeutische hypnotherapie met regressies, zo nodig ook naar vorige levens, van maximaal 22 sessies. Halverwege het intakegesprek werd een eerste hypnose-inductie gedaan via de reversed handlevitation methode van Edelstien. Dit is een makkelijke vorm van handlevitatie, waarbij het terugkomen van de hand in de schoot gebruikt wordt als verdiepingsmethode. Het weer omhoog zetten van de hand, wordt vervolgens aangekondigd als toekomstig teken voor de cliënt om weer in trance te gaan. Hierna werd een eerste regressie gedaan, ofwel langs de lijn van de angst via een 'gevoelsbrug' (Edelstien), ofwel door het herhalen van een kenmerkende zin (Netherton) of gewoon via terugtellen naar de gebeurtenis die de problemen veroorzaakte.

Kwam de cliënt in een situatie die traumatisch genoeg leek om de fobie te verklaren, dan werd die gebeurtenis met 'implosive desensitisatie' (Edelstien) doorgewerkt. Dat wil zeggen dat de therapeut, na het laten beleven van de angst 'zo sterk als je nog maar kunt' de cliënt even liet rusten, tot die de situatie nogmaals wilde beleven 'om het gevoel nog minder intens te laten worden'. Deze procedure kan beschouwd worden als een suggestieve vorm van flooding, aldus Cladder.

Kwam de cliënt in een situatie in dit leven met onderdrukte boosheid, dan werd de cliënt naar een veilige kamer gebracht, waar hij zichzelf op een TV-scherm kon zien terwijl hij zijn gevoelens uit tegen de persoon die het betreft (Edelstien). Kwam de cliënt in een eerder leven waarna wrok resteerde, dan werd een Higher Self interventie (Sutphen) gedaan, om een meer rationele visie op het gebeuren te krijgen. Via tellen werd de cliënt naar een hoger niveau van bewustzijn gebracht 'van waaruit hij dat leven kon overzien en begrijpen waarom alles ging, en iedereen deed wat hij deed'. Na het doorwerken van gebeurtenissen in eerdere levens werd steeds ook gezocht naar de herstimulerende gebeurtenissen in het huidige leven.

Aan het eind van elke regressie werden passende posthypnotische suggesties gegeven, met als strekking dat de cliënt zich alles zou kunnen herinneren wat hij beleefd had, dat hij steeds beter onderscheid zou kunnen maken tussen wat in het verleden thuishoorde en wat in het heden, en dat hij de angst in dat verleden zou kunnen laten waar die hoorde (Dethlefsen). Indien nodig schakelde de therapeut aan het eind van de therapie meer en meer over op hier-en-nu technieken, zoals positieve doelfantasieën, rationele fantasieën, doe-huiswerk, fusion of extremes (ook een vorm van assertieve training), of het meegeven van een zelfhypnosebandje met rationele ik-sterkte-suggesties.

Voor de meeste cliënten bevatte de therapie derhalve vier verschillende componenten: emotionele flooding met traumatische situaties gevonden door hypnotische regressies, hulp bij het vinden van een cognitieve heroriëntatie, post-hypnotische suggesties, en hier-en-nu doe-huiswerk. Bleek in het begin van de therapie dat de cliënt in trance geen emoties kon beleven, dan werd gestopt met hypnose en fantasieprocedures, en werd overgeschakeld op andere gedragstherapeutische interventies.

Als meetinstrument werd aan het begin van iedere sessie een BAP-schaal ingevuld om het stemmingsverloop te kunnen volgen, en om het gemiddelde van de eerste twee BAP-scores te vergelijken met dat van de laatste twee. Verder werden voor en na de behandeling drie vragenlijsten afgenomen: de Fear Survey Schedule van Wolpe en Lang, de klachtenlijst van Derogatis (de SCL-90) en de korte Nederlandse MMPI (de NVM). Gezien hun behandelingsgeschiedenissen en testscores konden de fobici die deelnamen beschouwd worden als moeilijke cliënten. Op de NVM scoorden zij hoger op negativisme en lager op extraversie dan de meeste psychiatrische patiënten. Op de BAP-schaal scoorden zij, volgens de gegevens in de handleiding, even laag als cliënten aan het eind van een mislukte therapie. Tachtig procent had zonder succes eerdere psychotherapie gehad, en sommigen waren voor hun klachten opgenomen geweest in psychiatrische inrichtingen.

Van de 30 cliënten voltooiden 20 de therapie binnen 22 sessies met minstens enig resultaat (66%) en 16 van hen (53%) waren volgens dit onderzoek echt sterk verbeterd. De behandeling was geen succes voor die fobici die tevens leden aan ernstige dwanghandelingen. Geen van hen voltooide de behandeling binnen 22 sessies met enig succes.

De onderstaande tabel toont het oordeel van de 20 fobici die de behandeling voltooiden, en het oordeel van hun therapeuten, over het effect van de therapie. De oordelen worden afzonderlijk weergegeven voor de 6 cliënten die niet verder teruggingen dan hun huidige leven; en voor de 14 cliënten die ook teruggingen naar een of meer eerdere levens.

Ook eerdere levens Alleen huidige leven
Effect cliënt therapeut cliënt therapeut
slechter/gelijk 0 0 0 0
iets verbeterd 0 0 1 0
nogal verbeterd 2 2 1 2
sterk verbeterd 11 11 3 3
alles helemaal over 1 1 1 1


Het effect van de voltooide behandelingen volgens cliënten en therapeuten

Volgens zowel de therapeuten als de cliënten zelf, waren 16 van de 20 die de behandeling voltooiden, ten minste sterk verbeterd.
Cladder trekt als conclusie uit zijn onderzoek dat gedragstherapeutische hypnotherapie met regressies een snelle (gemiddeld 11 sessies) en effectieve (80% ) vorm van therapie is voor die moeilijke fobici die geen ernstig dwanggedrag vertonen. Zij die daarbij ook teruggaan naar eerdere levens verbeteren minstens evenveel als zij die dat niet doen.
Het bleek moeilijk om de fobici met sterke dwanghandelingen te helpen met gedragshypnotherapie, als zij niet in staat of bereid waren om hun angst te beleven. Het bleek verder ook moeilijk om ze met gewone poliklinische gedragstherapie te behandelen, zolang zij niet bereid waren stukje bij stukje delen van hun dwanggedrag achterwege te laten. Van de totale groep van 30 cliënten gingen 16 bij een regressie ook naar een of meer eerdere levens. Van deze 16 voltooiden 14 de therapie met succes. Van de 14 die in dit leven bleven, voltooiden 6 de behandeling met succes. Het lijkt, aldus Cladder, of cliënten die in staat zijn over de oorzaak van hun fobie in vorige levens te 'fantaseren', een betere kans op succes hebben. Van de 5 fobici zonder dwang ging 1 terug naar een eerder leven en van de 5 fobici met dwang die niet verbeterden binnen 22 sessies ook maar 1. Van de 20 fobici die snel beter werden, plaatsten 14 de oorsprong van hun fobieën in eerdere levens (70%) en slechts 6 (30%) konden een voor hen voldoende oorzaak vinden in hun huidige leven. Het maakte weinig verschil of zij al dan niet over eerdere levens gelezen hadden (64% vs. 57% vonden eerdere levens), maar het maakte wel enig - statistische niet-significant - verschil, of zij voor de therapie al dan niet in reïncarnatie geloofden. Vergelijking van de 14 voltooide therapieën met eerdere levens met de 6 voltooide therapieën zonder eerdere levens bracht drie kleine verschillen aan het licht:

Cladder concludeert voorzichtig dat het erop lijkt of het idee reïncarnatie een therapeutisch bruikbaar begrip is voor fobici met een eerdere mislukte therapie. Zij die in staat zijn te 'fantaseren' over traumatische gebeurtenissen in vorige levens hebben een duidelijk grotere kans op succes.


© 1999 - 2017 Teksten en/of afbeeldingen van deze website mogen uitsluitend worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt met mijn voorafgaande toestemming. Bijgewerkt op 28 juli 2017.