Regressietherapeut Rob van Aert

'Ik mag geen plezier hebben'

Riet is een jonge vrouw die van zichzelf hobby's niet leuk mag vinden. Als ze zich met zulke 'nutteloze' dingen bezighoudt, voelt ze zich daar schuldig over. Ze vat het probleem samen met de woorden 'ik mag geen plezier hebben'. Ze is daarnaast erg kouwelijk van aard. Hier volgt haar eigen verslag.

vijverTerwijl ik de zin 'ik mag geen plezier hebben' een paar keer zeg ontspan ik mij. Er komen nog geen beelden, maar Guus ziet dat ik mijn linkerhand beweeg en vraagt me wat die hand me wil vertellen. Wat voel ik in die hand? Ik voel een tintelend gevoel, alsof ik mijn hand door het water haal. Dan zie ik mijzelf zitten op de stenen rand van een vijver. Een blond jongetje met een pofbroekje aan en een mutsje op, donkerbruin. Ik ben zes jaar oud en heet Emile. Het is 1920, Frankrijk. Ik duw met mijn hand tegen een groen zeilbootje in het water. Mijn gouvernante, Marie, zit op een bankje dichtbij te praten met een aantal andere gouvernantes. Het is druk rond de vijver met een heleboel kinderen en hun gouvernantes of ouders. De zon schijnt en het is warm.

Ik duw dus met mijn linkerhand tegen het bootje, maar verlies mijn evenwicht en val in de vijver. Het is dieper dan ik gedacht had en door de algengroei ook heel glibberig. Het water is donker. Ik kan mijzelf niet overeind helpen en blijf met mijn hoofd omlaag zinken. Ik krijg hoofdpijn en een drukkend gevoel op mijn borst. Dan ook pijn in mijn keel, omdat ik niet wil inademen onder water. Ik weet dat Marie boos zal zijn als ze merkt dat ik in het water gevallen ben, en dat wil ik niet, maar het lukt me niet om boven water te komen. Niemand heeft er volgens mij iets van gemerkt, want het volgende dat ik zie is dat mijn lichaam boven komt drijven, met mijn gezicht naar boven. Een aantal mannen springt in het water en haalt mij eruit. Marie staat er handenwringend en in paniek bij. Ik probeer weer terug te komen in dat lichaam, maar dat lukt niet meer en na een aantal keren geef ik het maar op. Ik hoor dat mensen zeggen 'het is te laat', maar ik zeg tegen Marie dat dit niet zo is: ik sta hier immers naast haar? Maar Marie wil niet luisteren, iets wat ze wel vaker deed, dus blijf ik het proberen, maar niemand luistert naar mij. Dan zie ik mijzelf in het donker nog steeds bij die vijver zitten. Ik heb besloten te wachten tot het weer licht wordt en de andere kinderen terug komen.

Zover komt het echter niet. Het blijft avond. Guus vraagt me te gaan naar de eerstvolgende belangrijke gebeurtenis en dan zie ik dat het licht geworden is. Niet alleen omdat het dag is, maar ook omdat ik een gouden licht zie, met daarin mijn moeder. Ze strekt haar handen naar mij uit en zegt 'eindelijk'. Ze wacht al op mij sinds ze zelf gestorven is. Guus vraagt of ik met haar mee kan gaan. Nee, voel ik. Ik heb het koud. Ik moet uit die vijver komen; een deel van mij is nog in die vijver, onder water. Het moet dag worden, met zonlicht. En er moeten veel mensen zijn. Ik voel dat ik het niet alleen kan, maar mensen nodig heb om mij te helpen. Dan zie ik voor mij hoe, in vol daglicht, een groep mensen elkaar vasthoudend, zodat ze niet uitglijden over de gladde bodem, steeds dichter naar elkaar toe beweegt, totdat ze mij vinden en uit het water halen. Ze leggen mij op de rand van de vijver. In dit 'lichaam' kan ik wel terug komen, en dat doe ik dus: de twee delen worden weer één. Nog steeds voel ik mij koud en als Guus vraagt wat er nu nog nodig is, voel ik dat ik zonlicht nodig heb. Ik stel me dus voor dat ik verwarmd word door het zonlicht en dan word ik langzaam warmer. Na een tijd ben ik warm genoeg en sta op. Mijn moeder wenkt me nog steeds en ik ga naar haar toe, maar aarzel. Mijn bootje, ik wil mijn bootje meenemen. Ik zie mijzelf, weer één geheel, met het bootje in mijn hand naar mijn moeder toe lopen, maar aarzel toch nog. Guus zegt dat ik best mijn bootje mee mag nemen, maar dat er thuis, boven dus, zoveel bootjes zijn als ik maar wil. Ik voel dat ik mijn bootje achter wil laten, als een definitief afscheid van die vijver. Dat doe ik. Dan loop ik naar mijn moeder toe en we omhelzen elkaar.

Guus vraagt me nu wat ik van de ervaring van Emile heb meegenomen naar mijn huidige leven. Wat ik meegenomen heb, is dat ik geen plezier mag maken, want dan ga ik dood. Ik voel me ook heel schuldig tegenover Marie, omdat ik voel dat zij het niet goed gevonden zou hebben dat ik in het water was gevallen en zeker niet dat ik zou verdrinken. Niet dat ze zoveel om mij gaf, maar omdat zij streng was en ik haar niet boos wilde maken. Omdat ik plezier maakte, heb ik dus haar boosheid opgeroepen en ben ik dus verdronken. Guus vraagt wat er niet klopt aan deze conclusie en dan voel ik mij opeens heel licht: als ik eens een computerspelletje wil spelen ga ik niet dood, nutteloze dingen mogen wel! Wat heerlijk, dat gevoel van opluchting en vrijheid!

pijl naar links pijl naar rechts

© 1999 - 2017 Teksten en/of afbeeldingen van deze website mogen uitsluitend worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt met mijn voorafgaande toestemming. Bijgewerkt op 28 juli 2017.